Het regelen van het waterpeil

Voor het regelen van het waterpeil heeft het waterschap een uitgekiend stelsel van gemalen, stuwen, sluizen en inlaten. Deze worden in waterschapstaal 'kunstwerken' genoemd.

Peilbesluiten

Via het zoekscherm Regelgeving kunt u de peilbesluiten van De Stichtse Rijnlanden opzoeken.

Op de pagina's over Peilbesluiten en Watergebiedsplannen vindt u meer informatie over peilbesluiten in een bepaald gebied.

Doorsnede van een gemaal

gemaal

Afwegen van belangen

Bij het regelen van het waterpeil hebben we als waterschap te maken met uiteenlopende belangen.

De natuur is over het algemeen gebaat bij hogere waterstanden, terwijl agrariërs in de regel belang hebben bij lagere waterstanden, omdat anders hun gewassen kunnen ‘verdrinken’ en trekkers het land niet op kunnen rijden.

Als waterschap wegen we de verschillende belangen en leggen we de afspraken vast in peilbesluiten. Een peilbesluit is tien jaar geldig en heeft meestal betrekking op meerdere polders.

Het waterschap zorgt ervoor dat het water het afgesproken peil heeft. Dit is niet altijd even eenvoudig: bij hoog water kun je het waterpeil niet één-twee-drie verlagen. Andersom geldt dat je in geval van droogte niet zomaar ergens water vandaan kunt halen. Om het waterpeil onder alle omstandigheden goed te kunnen regelen, is het daarom belangrijk dat er voldoende ruimte voor het water is. In natte tijden is extra opslagruimte gewenst en in droge tijden een voorraad nodig, des te meer omdat we door klimaatverandering vaker met extreme situaties te maken krijgen.

Hoe werkt een gemaal?

Gemalen hebben drie functies: ze malen overtollig water vanuit polders naar rivieren, ze voeren water aan om het water op peil te brengen en ze kunnen zorgen voor doorspoeling van het water (voor de waterkwaliteit). Er bestaan verschillende technieken waarmee gemalen water verplaatsen.

Het gemaal op de tekening maakt gebruik van een vijzel (1). Wanneer een vijzel ronddraait, wordt water via de ‘schroefdraad’ vanzelf mee omhoog gevoerd naar de rivier. Doordat polders vaak lager liggen dan de rivieren, moeten de vijzels dikwijls een flink hoogteverschil overbruggen.

Een stuw (2) wordt gebruikt om water vast te houden in een gebied. Steeds meer gemalen en stuwen worden uitgerust met een vispassage (3). Deze ingenieuze uitvinding van Wim de Wit (waterschapsingenieur van De Stichtse Rijnlanden) stelt vissen in staat om gemalen op een veilige manier te passeren. Via achtereenvolgende, aflopende compartimenten kunnen ze geleidelijk het hoogteverschil overbruggen.

Met het water komen ook vuil en plantenresten mee. Met de reiniger (4) wordt dit uit het water gevist.