HDSR

Zoeken

Wordt er hemelwater geloosd van nieuw verhard oppervlak (daken en bestratingen)?

Versneld afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak

Wordt een woning of bedrijfsgebouw gebouwd op een plaats waar eerder nog geen bebouwing aanwezig was? Dan heeft dat gevolgen voor de snelheid waarmee het regenwater naar de sloten afstroomt. Hetzelfde geldt bij uitbreiding van (erf)verharding. Als regenwater op bijvoorbeeld grasland valt, zakt het eerst in de bodem. Daarna stroomt het dan langzaam naar de sloten in de buurt. Maar als regenwater op een dak of weg valt, stroomt het direct naar de sloten of het regenwaterriool. Hierdoor kunnen de omliggende sloten te vol raken en kan er wateroverlast ontstaan. In de Keur (artikel 3.7) is daarom opgenomen dat het verboden is om zonder watervergunning hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld af te voeren. Voor oppervlakken tot 500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied geldt een algemene regel (zie Algemene regels Keur nr.14). Als aan de algemene regel wordt voldaan is geen melding of vergunning nodig. Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens (500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied)? Dan moet degene die extra verharding aanbrengt, compenserende maatregelen treffen die deze overlast voorkomen. In de watervergunning worden hierover voorwaarden opgenomen.

Meer info en direct regelen:

Lozen van hemelwater vanaf verhard oppervlak (kwalitatief)

Voor het lozen van hemelwater van daken en overige verhardingen gelden de algemene regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (met name § 3.1.3, zie de link in de rechterkolom), het Blbi (met name § 3.3, zie de link in de rechterkolom) of het Blah (zie de link in de rechterkolom). Uitgangspunt hierbij is de voorkeursvolgorde (zie de uitleg hieronder) voor het beheer van afvalwater. Dit houdt in dat hemelwater bij voorkeur ter plaatse wordt teruggebracht in het oppervlaktewater of in de bodem. Afvloeiend hemelwater mag in de meeste situaties zonder verdere restricties (uitzondering: zie uitlogende bouwmaterialen) op het oppervlaktewater, in de bodem of op een hemelwaterstelsel worden geloosd. Nieuwe lozingen van hemelwater mogen alleen op een vuilwaterriool plaatsvinden als er geen andere mogelijkheid is. Voor bestaande situaties kan de gemeente met een maatwerkvoorschrift bepalen dat hemelwater afgekoppeld moet worden. Afkoppelen houdt in dat verhard oppervlak (denk aan parkeerterreinen, grote daken enz.) niet meer is aangesloten op de riolering, maar loost op het oppervlaktewater of in de bodem.

Meer info en direct regelen:

Voorkeursvolgorde

De voorkeursvolgorde is opgenomen in de Wet milieubeheer (artikel 10.29a). Deze voorkeursvolgorde houdt in dat 'schoon' afvalwater, zoals afstromend hemelwater, grondwater en koelwater, bij voorkeur ter plaatse in het milieu terug komt door lozing op het oppervlaktewater of in de bodem. Ook licht verontreinigd afvalwater wordt bij voorkeur, eventueel na een zuiveringsstap, ter plaatse terug in het milieu gebracht. Lozing van licht verontreinigd afvalwater, zogenaamd ‘dun' water, op een vuilwaterriool heeft een aantal nadelige effecten. Zo kan 'dun' water tijdens het transport in het vuilwaterriool naar de rioolwaterzuivering bijdragen aan overstortingen. Dit is vooral relevant bij afvloeiend hemelwater, maar ook bij lozing van grote hoeveelheden grondwater. Op de zuivering verlaagt 'dun water' het zuiveringsrendement. Bovendien zijn met zowel transport als zuivering van dun water grote maatschappelijke kosten gemoeid, gelet op de benodigde capaciteit van het transport- en zuiveringssysteem. Soms zal ook een tijdelijke berging op locatie nodig zijn, vooral voor afvloeiend hemelwater.

Meer info en direct regelen: