Wordt er grondwater geloosd?

Lozen van bronneringswater (kwalitatief)

Voor het lozen van grondwater dat vrijkomt bij ontwatering (bronneringswater) gelden de algemene regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (met name § 3.1.2) of het Blbi (met name § 3.2). Uitgangspunt bij deze regels is de voorkeursvolgorde (zie de uitleg hieronder) voor het beheer van afvalwater. In lijn met die voorkeursvolgorde geldt met betrekking tot de verschillende lozingsroutes het volgende:
Schoon grondwater kan zonder probleem geloosd worden op of in de bodem of in het oppervlaktewater. Lozen op of in de bodem heeft daarbij de voorkeur. Het grondwater wordt weer teruggebracht in het compartiment waar het vandaan komt. Hierdoor wordt het milieu zo min mogelijk verstoord.

Voor het lozen op oppervlaktewater is in beide besluiten een eis opgenomen voor het gehalte onopgeloste stoffen en visuele verontreiniging. Bij het lozen op oppervlaktewater kunnen stoffen in het grondwater soms tot waterkwaliteitsproblemen leiden. Dit geldt met name als de samenstelling van het grondwater afwijkt van de grondwaterkwaliteit in het gebied. Het is de verantwoordelijkheid van degene die loost om hiermee bij het lozen rekening te houden. Bij twijfel is het verstandig om met het waterschap contact op te nemen. Als het waterschap vindt dat het lozen van grondwater tot problemen kan leiden, dan kan het waterschap maatwerkvoorschriften stellen op basis van de zorgplicht.

Ook lozen op een hemelwaterriool is - onder voorwaarden - toegestaan. Conform de voorkeursvolgorde zijn lozingen van grondwater op een vuilwaterriool ongewenst. Lozing van het relatief schone grondwater op het vuilwaterriool veroorzaakt een onnodige hydraulische belasting. Bovendien kan bij een gemengd stelsel het aantal overstortingen hierdoor toenemen. Daarnaast kan een grote hoeveelheid schoon water nadelig zijn voor de doelmatige werking van de rioolwaterzuivering.

In beide besluiten is geregeld of voor een lozing een melding nodig is of niet. Voor het lozen van bronneringswater geldt in de meeste gevallen een meldingsplicht.

Meer info en direct regelen:

Voorkeursvolgorde

De voorkeursvolgorde is opgenomen in de Wet milieubeheer (artikel 10.29a). Deze voorkeursvolgorde houdt in dat 'schoon' afvalwater, zoals afstromend hemelwater, grondwater en koelwater, bij voorkeur ter plaatse in het milieu terug komt door lozing op het oppervlaktewater of in de bodem. Ook licht verontreinigd afvalwater wordt bij voorkeur, eventueel na een zuiveringsstap, ter plaatse terug in het milieu gebracht. Lozing van licht verontreinigd afvalwater, zogenaamd ‘dun' water, op een vuilwaterriool heeft een aantal nadelige effecten. Zo kan 'dun' water tijdens het transport in het vuilwaterriool naar de rioolwaterzuivering bijdragen aan overstortingen. Dit is vooral relevant bij afvloeiend hemelwater, maar ook bij lozing van grote hoeveelheden grondwater. Op de zuivering verlaagt 'dun water' het zuiveringsrendement. Bovendien zijn met zowel transport als zuivering van dun water grote maatschappelijke kosten gemoeid, gelet op de benodigde capaciteit van het transport- en zuiveringssysteem. Soms zal ook een tijdelijke berging op locatie nodig zijn, vooral voor afvloeiend hemelwater.