Wordt er water geloosd op oppervlaktewater?

Lozen van (afval)water op oppervlaktewater (kwalitatief)

Lozingen afkomstig van een inrichting zijn geregeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) vallen lozingen van particuliere huishoudens. Lozingen die niet afkomstig zijn van een particulier huishouden of van een inrichting vallen onder het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi). In de hiervoor genoemde besluiten is geregeld of voor een lozing een melding nodig is of niet.

Gaat het om het lozen op oppervlaktewater waarvoor de vergunningplicht volgens de Waterwet niet expliciet is opgeheven in een van deze besluiten? Dan is altijd een watervergunning nodig (artikel 6.2 van de Waterwet).

Meer info en direct regelen:

Voorkeursvolgorde

De voorkeursvolgorde is opgenomen in de Wet milieubeheer (artikel 10.29a). Deze voorkeursvolgorde houdt in dat 'schoon' afvalwater, zoals afstromend hemelwater, grondwater en koelwater, bij voorkeur ter plaatse in het milieu terug komt door lozing op het oppervlaktewater of in de bodem. Ook licht verontreinigd afvalwater wordt bij voorkeur, eventueel na een zuiveringsstap, ter plaatse terug in het milieu gebracht. Lozing van licht verontreinigd afvalwater, zogenaamd ‘dun' water, op een vuilwaterriool heeft een aantal nadelige effecten. Zo kan 'dun' water tijdens het transport in het vuilwaterriool naar de rioolwaterzuivering bijdragen aan overstortingen. Dit is vooral relevant bij afvloeiend hemelwater, maar ook bij lozing van grote hoeveelheden grondwater. Op de zuivering verlaagt 'dun water' het zuiveringsrendement. Bovendien zijn met zowel transport als zuivering van dun water grote maatschappelijke kosten gemoeid, gelet op de benodigde capaciteit van het transport- en zuiveringssysteem. Soms zal ook een tijdelijke berging op locatie nodig zijn, vooral voor afvloeiend hemelwater

Lozen kwantitatief (hoeveelheid):

In de Keur (artikel 3.9) is opgenomen dat het (zonder watervergunning) verboden is om water te lozen op oppervlaktewater. Voor het waterschap is het van belang dat de bergingscapaciteit en de doorstroming van het oppervlaktewater waarop wordt geloosd, niet in gevaar komen. Om schadelijke gevolgen aan de waterhuishouding te voorkomen worden normen gesteld aan de hoeveelheid te lozen water.

Als bij het lozen van bronneringswater wordt voldaan aan de algemene regel (zie Algemene regels Keur nr. 9) kan met een melding worden volstaan. In overige gevallen is voor het lozen (kwantitatief) een watervergunning nodig.

Aanleggen van een uitstroomvoorziening

In de Keur (artikel 3.3) is opgenomen dat (zonder watervergunning) geen werken geplaatst mogen worden in watergangen en bijbehorende beschermingszones. In de legger oppervlaktewater staat aangegeven waar de watergangen en bijbehorende beschermingszones liggen. Er is onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire watergangen. Meer informatie hierover is terug te vinden via de links in de rechterkolom.

Voor het aanleggen en hebben van een uitstroomvoorziening geldt een algemene regel (zie Algemene regels Keur nr. 13). In de algemene regel voor het aanleggen en hebben van een uitstroomvoorziening is onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire watergangen en tertiaire watergangen. Voor primaire en secundaire watergangen is het van belang dat de uitstroomvoorziening zichtbaar is. Hierdoor worden problemen bij het onderhoud van de watergangen voorkomen. Ook wordt voorkomen dat de uitstroomvoorziening beschadigt tijdens onderhoudswerkzaamheden. Verder is het belangrijk dat uitspoeling van taluds en bodem wordt voorkomen. Voor uitstroomvoorzieningen in tertiaire watergangen zijn geen voorwaarden opgenomen. Voor een uitstroomvoorziening is geen melding of vergunning nodig als aan de algemene regel wordt voldaan.

Meer info en direct regelen:

Lozen van water afkomstig van een bodemenergiesysteem (KWO/WKO) op oppervlaktewater (kwalitatief):

Het lozen van water dat vrijkomt bij de aanleg van het systeem (schoonspoelen van de filters) en het spuiwater dat vrijkomt bij het periodiek onderhoud van de bronnen zou in het kader van de voorkeursvolgorde, plaats moeten vinden op het oppervlaktewater. Voor het lozen van (spui)water op het oppervlaktewater is een watervergunning nodig. Door deze lozing op te nemen in de aanvraag watervergunning voor een energieopslagsysteem bij de provincie is een integrale afweging mogelijk. Hiermee wordt voorkomen dat voor het lozen van het (spui)water een aparte vergunningsprocedure nodig is.

Is een gecombineerde aanvraag niet mogelijk? Dan kan er ook bij het waterschap een separate aanvraag watervergunning worden ingediend voor de lozingsaspecten.